Erfbelasting
Erfbelasting
Hoewel hij nog geen cent van de erfenis van zijn overleden vader heeft ontvangen, krijgt hij wel belastingaanslagen die hem moedeloos maken.
De man aan mijn bureau is ten einde raad: nu zijn vader is overleden, dreigt hij zijn toeslagen kwijt te raken. Zonder die toeslagen kan hij de huur van zijn huis niet betalen en komt hij misschien op straat te staan. Kan ik hem helpen?Hij is enig kind en maatschappelijk lang niet zo succesvol als zijn vader. Geen onaardige jongen, maar niet zo slim. Weinig opleiding, twaalf ambachten dertien ongelukken, klein baantje. Hij redt het financieel maar net. Na de dood van zijn vader wacht hem een erfenis. Zijn ouders zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Zijn financiële zorgen zouden voorbij moeten zijn. Niets is minder waar.
De helft van de gemeenschap gaat naar zijn moeder, de andere helft delen zij als erfgenamen. Maar zijn vader heeft in zijn testament een langstlevendebeding laten opnemen. De zoon krijgt zijn erfenis pas na het overlijden van zijn moeder. Zij kan tot die tijd het geld gebruiken om te voorzien in haar levensonderhoud. Geen probleem, de zoon heeft geen haast. Maar nu wordt hij op de huid gezeten door de Belastingdienst. Hoewel hij nog geen cent heeft ontvangen uit de erfenis, heeft hij wel een belastingaanslag ontvangen over de 75.000 euro die hij – ooit – zal erven. Bovendien zal hij, zo is hem verteld, elk jaar belasting moeten betalen over zijn vermogen uit de erfenis. Omdat hij volgens de fiscus vermogen heeft, raakt hij waarschijnlijk zijn huursubsidie en andere toeslagen kwijt.
Gelukkig kan ik hem geruststellen. Aan het betalen van de erfbelasting valt niet te ontkomen. De Belastingdienst wil ermee voorkomen dat er na de dood van de langstlevende partner voor de fiscus niets meer te halen valt omdat het geld op is. Maar het goede nieuws voor de zoon is dat de moeder de aanslag moet betalen; van zijn erfdeel, dat wel. Bovendien is er sinds enkele jaren de regeling defiscalisering, een tegemoetkoming van de fiscus aan erfgenamen die nog op hun erfdeel moeten wachten. Zij hoeven daardoor geen vermogensbelasting te betalen zo lang ze hun erfdeel niet hebben ontvangen. Daardoor houdt de man dus recht op zijn toeslagen en kan hij in zijn huis blijven wonen. Opgelucht verlaat hij mijn kantoor. Makkelijker kan ik het voor mijn cliënten meestal niet maken, leuker soms wel.
Bovenstaand verhaal is echt gebeurd. Vanwege beroepsgeheim zijn de namen van de betrokkenen niet vermeld.
Bron: JOHAN NEBBELING, Brabants Dagblad 6 april 2016
Aangepaste seniorenwoning: kies je een lening of hypotheek?
Aangepaste seniorenwoning: kies je een lening of hypotheek?
Een tekort aan seniorenwoning dreigt. Wat doe je als je je eigen woning wilt aanpassen? Kies je een hypotheek of voor een gemeenteregeling als de blijverslening?
Telt Nederland te weinig seniorenwoningen? Volgens ouderenbond ANBO wel. En in de toekomst zeker, want uit hun onderzoek blijkt dat over vier jaar het aantal gemeenten met een tekort is opgelopen tot de helft. De VVD negeert ANBO’s alarmbellen, omdat ouderen volgens hen prima in staat zijn hun woning zelf ‘levensloopbestendig’ te maken. Maar hoe doe je dat?
Een seniorenwoning is een huis dat is aangepast naar bestaande of toekomstige zorgbehoeften. Dus geen drempels en bij voorkeur helemaal gelijkvloers. Gemeenten hebben weinig zicht op het aantal seniorenwoningen in hun gemeenten. Met het oog op de vergrijzing is dat een slechte ontwikkeling, vindt ANBO. Zij pleiten voor de bouw van meer seniorenwoningen.
Maar je kunt natuurlijk ook je eigen woning aanpassen. Dat kan door bijvoorbeeld bad- en slaapkamer naar beneden te verplaatsen, een traplift te installeren of het sanitair voor mensen op leeftijd geschikt te maken. Daar zijn natuurlijk wel kosten aan verbonden. Omdat de overheid langer thuis wonen speerpunt van haar beleid gemaakt heeft, zijn daar potjes voor beschikbaar.
Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) – gemeente bepaalt noodzaak
De eerste regeling waar je een beroep op kunt doen is de Wmo, de Wet maatschappelijke ondersteuning. De gemeente in je woonplaats heeft verplicht een loket waar je aanvragen kunt doen voor de woningaanpassingen waarvan je vindt dat je ze nodig hebt.
Eerder onderzoek van ANBO heeft overigens uitgewezen dat niet alle gemeenten daar even goed mee omgaan. Soms luidt het advies bijvoorbeeld simpelweg ‘verhuizen’. Dat staat haaks op de voornemens om mensen langer zelf thuis te laten wonen.
Blijverslening – goedkope hypotheek voor ouderen
Nieuw is de blijverslening. Daarmee kun je tegen zeer gunstige voorwaarden geld lenen voor een aanpassing in je huis. De blijverslening is in feite een gewone hypotheek, met als bijzonderheid dat de gemeente de geldverstrekker is.
De blijverslening is op dit moment de hypotheek met de laagste rente. Voor leensommen tot 10.000 euro bedraagt die 1 procent. Tussen de 10.000 en 50.000 euro is de rente 2 procent. Je kunt de blijverslening ook krijgen zonder een huis als onderpand. Dan is het een consumptief krediet. De rente bedraagt in dat geval nog steeds slechts 3,1 procent.
Bij welke gemeenten krijg je een blijverslening?
Net als met de starterslening, kunnen gemeenten zelf bepalen of ze de blijverslening willen aanbieden. In tegenstelling tot de lening voor mensen die hun eerste huis kopen, zijn er nog niet veel gemeenten waar je terecht kunt voor de blijverslening. Slechts twee momenteel: het Gelderse Renkum en het Drentse Hoogeveen. De verwachting is dat binnenkort meer gemeenten de blijverslening gaan aanbieden.
Krediethypotheek – duurder dan blijverslening en variabele rente
Wil je je woning levensloopbestendig maken, maar kom je niet in aanmerking voor een van de genoemde regelingen? Dan zijn er ook andere mogelijkheden, zoals de krediethypotheek. Je huis is dan wel onderpand en de rente is variabel, maar het is een relatief goedkope optie om de waarde van je huis te verzilveren.
Bron: Wegwijs, dinsdag 5 april 2016
Senioren betalen teveel voor hun hypotheek
Senioren betalen teveel voor hun hypotheek
Uit een inventarisatie van Vereniging Eigen Huis (VEH) blijkt dat senioren steeds vaker onterecht extra voor hun hypotheek moeten betalen. Huiseigenaren met een bescheiden aflossingsvrije hypotheek, die vaak maar half zo hoog is als de waarde van hun woning. Betalen volgens Vereniging Eigen Huis ten onrechte een risico-opslag bovenop hun hypotheekrente.
Deze opslag kan oplopen tot 0,3 procent. Iemand met een hypotheek van 200.000 euro en een woning die 400.000 euro of meer waard is. Betaalt hierdoor elke maand, jaar in jaar uit, 50 euro extra rente aan zijn bank. De vereniging roept de banken op om deze opslag te schrappen. Steeds vaker berekenen geldverstrekkers een renteopslag bij een aflossingsvrije hypotheek. Ook als die veel kleiner is dan de waarde van de woning.
Vereniging Eigen Huis wordt hierover veel gebeld door verontwaardigde leden. “Hun boosheid is begrijpelijk, want voor een opslag ontbreekt iedere grond als er sprake is van een flinke overwaarde. Er is dan namelijk geen extra risico voor de bank, omdat de woning bij verkoop veel meer oplevert dan nodig is om de hypotheek af te lossen”, zegt Rob Mulder, directeur belangenbehartiging van Vereniging Eigen Huis.
Vooral hoger rendement
Banken en andere geldverstrekkers berekenen de renteopslag omdat dat er volgens hen bij alle aflossingsvrije hypotheken een extra hypotheekrisico zou bestaan. In tegenstelling tot een annuïteiten hypotheek waarop maandelijks wordt afgelost. Maar van een extra risico kan geen sprake zijn als de hypotheekschuld nog maar de helft of minder is van de actuele woningwaarde.
Volgens het CBS hebben huiseigenaren van 60 jaar en ouder een gemiddelde woningwaarde van 300.000 euro. En een hypotheek van 137.000 euro. Bij verkoop levert het huis dus ruim het dubbele op van de uitstaande hypotheekschuld. De vereniging vermoedt dan ook dat banken de renteopslag niet zozeer nodig hebben om een hypotheekrisico mee af te dekken. Maar vooral gebruiken om het rendement op hypotheken mee te verhogen.
Alsnog aflossen soms onverstandig
Vereniging Eigen Huis ziet dat banken de renteopslag ook gebruiken om klanten te stimuleren om alsnog te gaan aflossen, door hun aflossingsvrije hypotheek om te zetten naar een annuïteitenhypotheek. Vooral voor oudere huiseigenaren met een relatief lage hypotheek, die de helft of minder bedraagt van de woningwaarde, is dit meestal niet zinvol of zelfs af te raden.
Het gevolg is dat vooral de maandelijkse hypotheeklasten fors gaan stijgen, terwijl er meestal al meer dan voldoende overwaarde is. Bovendien kan het geld dat in de aflossing van de hypotheek wordt gestopt kan niet meer worden opgenomen, bijvoorbeeld voor een noodzakelijke verbouwing om langer in het eigen huis te kunnen blijven wonen.
19 maart 2016, VEH
Woningnood? Bouw drie generatiehuizen
Woningnood?
Opa, oma, kind, kleinkinderen onder één dak. In Duitsland gebeurt het, in Nederland nauwelijks. Terwijl alle partijen er baat bij hebben, weet Heleen Crul.
Het wordt een nieuwe, zij het nog aarzelende trend: 55-plussers die piekeren over het grote huis waarin zij nu wonen. Blijven ze daar of verhuizen ze naar een kleiner, comfortabeler huis met minder onderhoud? Dat is een moeilijke stap, een soort afscheid van een intens geleefd leven.
Een appartement is één mogelijkheid. Het drie generatiehuis is een andere optie. Dat heeft een lange traditie in onder meer Italië en Duitsland, maar bestaat jammer genoeg niet of nauwelijks in Nederland. Terwijl het een goede oplossing is.
Tot voor kort behoorde de opvatting dat de gemeenschap als geheel verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het leven van de verschillende generaties tot de overlevingsregels van onze cultuur. Maar die verantwoordelijkheid wordt in toenemende mate naar het privédomein gedirigeerd. Bij een opname in het ziekenhuis bijvoorbeeld, wacht u doorgaans een minimaal verblijf. En vallen er gaten in het vangnet van thuis-, kraam- of gezinszorg, dan vraagt thuiszorg al snel: ‘Kan de familie dat niet oplossen?’.
Familieverbanden zijn in deze tijd nog een van de weinige constante gegevenheden. Je familie blijft altijd bestaan. Bloedverwantschap heeft doorgaans ook een zekere onbaatzuchtigheid.
In ons land wachten vooral jonge mensen op een betaalbaar huurhuis, soms jarenlang. In de nabij toekomst moeten er tenminste 50.000 van deze sociale woningbouwhuizen worden gerealiseerd. Een raming die overigens van vóór de invasie van asielzoekers dateert.
Steeds vaker vraagt de thuis- of de kraamzorg: kan de familie dat niet oplossen?
Een ‘drie generatiehuis’ kan uitkomst bieden, zowel voor de kinderen die een groter huis zoeken als voor de ouders die kleiner willen wonen. In een appartement met eigen ingang op de begane grond wonen de ouders, die daar hun eigen leven leiden. Op de eerste verdieping woont een van hun kinderen, met het gezin. Ten slotte kan de derde verdieping al naar gelang de behoeften worden ingericht, geen woningnood dus.
In zo’n drie generatiehuis is de wederzijdse hulp dicht bij de hand. Ook biedt het financieel gezien een oplossing: de jonge generatie woont in een groter huis dat ze anders niet had kunnen betalen. Tegelijkertijd is deze manier van wonen goedkoper: is er immers maar één tuin, één grasmaaimachine, één was- en droogcombinatie. Maar het is vooral de aanwezigheid van wederzijdse dienstverlening die de kwaliteit van leven voor iedereen aanzienlijk beter kan maken.
Onlangs sprak ik en Duitse vrouw. Haar ouders bouwden 35 jaar geleden een drie generatiehuis. De onderste woonlaag was voor haar grootouders, de middelste voor haar ouders, broer en zijzelf, de bovenste verdieping zou later voor haar en haar gezin worden.
„In veel opzichten is het een ideale woonvorm”, zei ze. „Als kind en puber was ik nooit alleen. Eigenlijk had ik twee paar ouders. Vaak was dat leuk, soms niet. Tijdens onze vakanties zorgden mijn grootouders voor de planten en de dieren. Ook pasten ze op. Beide grootouders konden tot hun dood in huis en familie blijven. Dat geldt nu ook voor mijn bejaarde ouders, die beneden wonen. Mijn man en ik hebben met onze drie kinderen de twee overige verdiepingen.”
Het wonen van drie generaties onder één dak of dicht bij elkaar was in Nederland lange tijd ook heel normaal. De gezamenlijke inspanning van zo veel mogelijk handen diende de materiële en fysieke overleving. Dat hoefde niet eens zo nadrukkelijk georganiseerd te worden in een land waar veel mensen boeren, ambachtlieden of middenstanders waren, en er vaak geen scheiding bestond tussen wonen en werken. Pas na de Tweede Wereldoorlog veranderde dat ingrijpend, door de Wederopbouw. Vanaf dat moment stimuleerde de overheid de bouw van bejaardenoorden.
Bron: NRC 5 maart 2016